Het eerste onderdeel inkomensafhankelijke huurverhoging is in 2021 niet aan de orde. De beantwoording van de uitvraag over aantallen en meeropbrengst komt dus in alle gevallen uit op nul! 


Het tweede onderdeel hogere huursomstijging in een gemeente op basis van prestatieafspraken is ook niet aan de orde omdat er geen ruimte was voor extra huurverhoging wegens de generieke huurbevriezing. Er zijn hierdoor nul woningen

die zich hiervoor kwalificeren. De laatste drie vragen kunnen hierdoor respectievelijk als volgt worden beantwoord:

nul, nvt en nvt


Het derde onderdeel aantal woongelegenheden zonder prestatieafspraken relevant voor huursomtoets bevat alle zelfstandige woongelegenheden die ontstaan na de correcties op het totaal aantal zelfstandige huurwoningen conform bovenstaande opsomming. Van deze eenheden moet de totale maandhuur (huursom) voor de twee peildata worden opgegeven. Gegeven de huurbevriezing zal het verschil in huursom tussen beide peildata zeer beperkt zijn en zal de norm van 1,4% toegestane stijging op huursomniveau normaal gesproken niet kunnen worden overschreden.


Rekenkundig ziet het er als volgt uit voor het derde onderdeel. Van het aantalzelfstandige huurwoningen bepaalt u de totale maandhuur (kale huur) op 1 januari 2021 en op 1 januari 2022.


Vervolgens bepaalt u de huurstijging door middel van de formule:

(totaal maandhuur 1 januari 2022 -/- totaal maandhuur 1 januari 2021) ÷ totaal maandhuur 1 januari 2021