- Saneringsheffing: 
In lijn met vorig jaar vraagt WSW corporaties voor dPi2018 voor de jaren 2019 tot en met 2023 een bedrag voor saneringsheffing op te nemen dat is gebaseerd op 1% van de totale jaarhuur van de woongelegenheden in het betreffende jaar.
Dit geldt voor de jaarhuur binnen zowel de DAEB- als de niet-DAEB-tak van de toegelaten instelling. Voor de jaren na 2023 hoeven corporaties hiervoor geen bedrag op te nemen in de prognoses ter bepaling van de beleidswaarde.


- Verhuurderheffing:

Voor dPi 2018 kan al rekening worden gehouden met de bijgestelde tarieven vanwege de structurele verlaging van de verhuurderheffing met € 100 mln. Het is overigens ook mogelijk de huidige tarieven te gebruiken in de dPi 2018. Onderstaand is het staatje weergegeven waarin de nieuwe tarieven zijn weergegeven voor de afzonderlijke jaren.


 Jaar    Tarief                       
20190,561%
20200,562%
20210,562%  
20220,563%
20230,537%


Verhuurders die meer dan 50 huurwoningen bezitten, betalen een heffing over de WOZ-waarde van de huurwoningen. Het gaat hierbij om huurwoningen waarvan de huur niet hoger is dan  € 710,68 per maand (prijspeil 2018).  In 2018 is de verhuurderheffing 0,591% van de WOZ-waarde van de huurwoningen. De heffing wordt berekend over de totale WOZ-waarde van de woningen, verminderd met 50 x de gemiddelde WOZ-waarde van de woningen.


Let op: u dient zelf rekening te houden met eventueel de Regeling Vermindering Verhuurderheffing (RVV) of vrijstelling van de verhuurderheffing.


Toelichting:
Voor 2018, als eerste prognosejaar, zal een inschatting moeten worden gemaakt van de WOZ-waarde ontwikkeling van het zelfstandig DAEB-bezit. Vervolgens zal moeten worden nagegaan of de bestaande voorraad ten opzichte van het voorgaande jaar is veranderd vanwege onder meer sloop, verkoop en huurprijsbeleid (van DAEB naar niet-DAEB). Op basis van deze twee componenten kan de WOZ-waarde, voor het daarvoor in aanmerking komende, zelfstandig DAEB-bezit op waardepeildatum 1/1/2018 (voor heffing 2019) worden bepaald. In combinatie met het voor 2018 geldende tarief kan de verhuurderheffing voor 2018 worden bepaald. Voor de volgende prognosejaren kan een vergelijkbare werkwijze worden gehanteerd.


- Bijdrageheffing Aw:
De Woningwet 2015 bepaalt dat de toegelaten instellingen betalen voor de kosten van de Aw. De Aw moet daarvoor jaarlijks uiterlijk op 1 oktober bij de corporaties een bijdrageheffing innen. De heffing over 2017 is door de minister vastgesteld op € 15.300.886,-. Dit komt neer op een tarief van € 3,21 per woongelegenheid en € 0,0223 per € 1.000,- WOZ-waarde van de woongelegenheden in eigendom van de corporatie en haar dochtermaatschappijen. De meerjarenbegroting van de Aw (de jaren 2019 en verder) is door de minister nog niet vastgesteld. Vooralsnog verdient het aanbeveling om voor de volgende jaren rekening te houden met de kosten Aw van circa € 15,- miljoen op jaarbasis. Dat betekent voor 2018 een tarief van circa € 3,15 per woongelegenheid en circa € 0,025 per € 1.000,- WOZ-waarde van de woongelegenheden in eigendom van de corporatie en haar dochtermaatschappijen. De heffing wordt eind september opgelegd. De verschuldigde bijdrage moet voor eind oktober 2017 worden overgemaakt. De bijdrageheffing Aw is een jaarlijks terugkerende heffing en dient door het structurele karakter deel uit te maken van de bedrijfswaarde. In het kasstroomoverzicht kan deze heffing worden opgenomen onder post 1.11a sectorspecifieke heffing en in de bedrijfswaarde kan deze heffing worden opgenomen als contante waarde overige uitgaven.